Pak in stap uit!

Familietrekjes

Gene man in ons kot

De laatste doet het licht uit

Tejaterkaffée

Reginald van Valkenburg (November 1910)

Reginald van Valkenburg
Op de ruïne van Valkenburg spookt het 's nachts. Een stem roept er naar het noorden en het zuiden, het oosten en het westen "Moordenaars! Moordenaars!" terwijl twee blauwe vlammetjes overal voor het geroep uitgaan en het begeleiden, waar het zich ook mag richten. Reeds zeshonderd jaar roept die stem en reeds zeshonderd jaar dwalen de vlammetjes mee.

Voor zes eeuwen terug stond het slot nog in zijn volle glans en woonde er twee broeders uit het edele geslacht van Valkenburg, Waleram en Reginald. Beiden beminden Alix, de dochter van de graaf van Kleef. Maar Waleram was gelukkiger dan zijn broer, hij verwierf de hand van Alix en weldra werd een prachtige bruiloft gevierd. Reginald gloeide echter van haat en nijd op zijn broeder en op Alix. Toen de bruiloft was afgelopen en het echtpaar in de bruidskamer verscheen, sprong Reginald, die zich achter het bed had verscholen, te voorschijn en stootte eerst zijn broer en daarna ook Alix zijn dolk in de borst. Waleram greep met de rechterhand naar de schuimende, bloedende wond en vervolgens naar zijn broer, die hij met de bebloede hand in het gezicht sloeg, maar zijn krachten begaven het en hij zonk ontzield terug.

Reginald sneed de ongelukkige bruid een haarlok af en vluchtte na de lijken in een keldergewelf te hebben gesleept. Anderdaags was er grote rouw en droefheid op het slot Valkenburg, want iedereen hield van de goedhartige Waleram en de even schone als deugdzame Alix. Niemand twijfelde er aan dat Reginald de dubbelmoordenaar was. Overal zocht men hem maar hij was nergens meer te vinden.

Destijds woonde in het bos in die streek een kluizenaar, die dag en nacht voor het altaar van een kleine kapel, naast zijn huis, in het gebed verzonken was. Het was al middernacht, toen er nog iemand aan de deur van de kluizenaar klopte, en in 's Hemels naam smeekte om binnengelaten te mogen worden. De kluizenaar opende de deur en herkende Reginald, die hem te voeten viel, al het voorgevallene bekende en hem als bewijs van waarheid de afdruk van een bebloede hand op zijn gezicht toonde, die zich met geen water liet afwassen.

Toen de man Gods alles vernomen had, sprak hij "Blijf deze nacht maar bij mij, ik zal tot God bidden, dat Hij mij openbare, wat u doen moet om van zulk een grote misdaad vergiffenis te verkrijgen." Na deze woorden knielde hij voor het altaar neer. Reginald knielde naast hem en zo baden zij tot het begon te schemeren.

Toen de morgen aanbrak, zei de kluizenaar "De hemel heeft mij dit ingegeven, gij zult, als een goedmoedig pelgrim, van hier uit gedurig naar het noorden gaan, tot gij geen aarde meer onder uw voeten hebt, daar zal u door een teken verder geraken." Reginald antwoordde deemoedig "amen", vroeg aan de heiligen man zijn zegen, trad voor de Godslamp, waar hij op bevel van de kluizenaar de haarlok van Alix in de vlam hield en tot as liet verteren.

Nu verliet hij de kapel en ging als pelgrim verder en verder, altijd naar het noorden. Met hem gingen twee gedaanten, aan zijn linker een zwarte en aan zijn rechter een witte. De zwarte hield hem de verlokkingen van de wereld voor, terwijl de blanke gedaante hem versterkte in zijn goede voornemens van boete en hem tegenover de lusten van de wereld, de eeuwige vreugden van den Hemel stelde.

Vele dagen en weken en menige maand waren er reeds verlopen, toen hij op zekere morgen geen grond meer onder zijn voeten vond en hij de grote wereldzee voor zich zag. Tegelijkertijd naderde een bootje, dreef aan de oever en een gestalte die er in zat, wenkte hem en zei "Wij verwachten u!" Daaraan herkende Reginald het teken; hij steeg in het bootje, gevolgd door zijn twee begeleiders. Zo voeren zij naar een groot schip met volle zeilen.

Toen zij op het schip kwamen, verdween de gedaante en voer het schip weg, terwijl Reginald met zijn begeleiders in het ruim afdaalde. Daar stond een tafel met drie stoelen. Aan die tafel namen de gestalten plaats, de zwarte haalde ivoren dobbelstenen te voorschijn en nu begonnen die twee te dobbelen om de ziel van Reginald.

Reeds zes eeuwen ijlt het spookschip zonder stuurman of roeiers over de grote wereldzeeën en even lang doen de beide gedaanten de dobbelstenen rollen om Reginald's ziel. Zij zullen niet ophouden voor de Jongste Dag.

Schippers, die op de Noordzee varen, hebben het spookschip vaker ontmoet. Zij trachtten het zoveel mogelijk te mijden, want een ontmoeting duidt op een voorteken van rampspoed.